Ga direct naar de content

Arbeid zal schaars blijven en dat heeft gevolgen

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: augustus 14 2026

In de jaren zeventig en tachtig zorgde een opeenstapeling van economische schokken voor een almaar stijgende werkloosheid. Oudere generaties economen zijn daarom gespitst op het reduceren van werkloosheid. Alles wat de werkloosheid terugdrong was welkom – ‘werk, werk en nogmaals werk!’ De centrale stelling van Das Knappe Gut Arbeit [De schaarse factor arbeid] is echter dat we in een tijd van toenemende arbeidsschaarste leven, met een machtsverschuiving van kapitaal naar arbeid als gevolg. Het idee dat arbeid steeds schaarser wordt, is overtuigend, en met wat economische theorie valt de stelling zelfs te versterken.

Rebound-effecten

Het kernargument van het boek is dat pogingen om arbeid te besparen via digitalisering en automatisering steeds weer teniet worden gedaan door reboundeffecten. Een klassiek voorbeeld is de ledlamp. Het gebruik ervan kan tot 90 procent van het energieverbruik van conventionele lampen besparen. Het probleem is alleen dat de industrie intussen talloze nieuwe toepassingen voor ledverlichting heeft ontwikkeld. Daardoor produceren we nu veel meer kunstlicht. Butollo betoogt dat pogingen om arbeid te besparen door automatisering vergelijkbare reboundeffecten teweegbrengen. Zo schept kostenbesparing door automatisering ruimte voor prijsverlagingen; lagere prijzen leiden (afhankelijk van de prijs­elasticiteit van de vraag) tot een grotere afzet en dus tot een hogere productie en meer arbeidsinzet.

Een tweede reboundeffect is dat automatisering zelf arbeid vergt. Voordat een productieproces kan worden geautomatiseerd, zijn maanden of zelfs jaren van ingenieurswerk nodig. Bovendien vereist de implementatie van nieuwe technologie extra arbeid voor verbouwingen, training, onderhoud en reparatie.

Volgens Butollo biedt het uitbreiden van de arbeidsduur van deeltijdwerkers geen structurele oplossing voor de arbeidstekorten. Ook hier spelen namelijk reboundeffecten: wie meer uren gaat werken, heeft vaak extra ondersteuning nodig in het huishouden, bij mantelzorg of voor kinderopvang. Soortgelijke reboundeffecten doen zich volgens hem voor bij migratie. Migranten vergroten weliswaar het arbeidspotentieel, maar consumeren ook hun inkomen, waardoor de vraag naar productie en dus naar arbeid eveneens toeneemt. Migratie kan het arbeidstekort daarom wel verlichten, maar niet structureel wegnemen.

Structurele arbeidstekorten

De tijd van massawerkloosheid is dus voorbij, volgens Butollo. Veel wijst erop dat we een periode van toenemende arbeidstekorten tegemoet gaan. Daardoor zal de machtsbalans tussen kapitaal en arbeid geleidelijk verschuiven. Butollo geeft voorbeelden uit Duitsland waar vakbonden inmiddels bij platformbedrijven als Amazon en Uber voet aan de grond hebben gekregen en de lonen en arbeidsomstandigheden van laagbetaalde mensen merkbaar hebben verbeterd. Een krappe arbeidsmarkt maakt bedrijfsmodellen die leunen op overvloedige en goedkope arbeid geleidelijk onhoudbaar.

Bovendien is er in een krappe arbeidsmarkt ruimte voor discussie over het soort economische groei dat we willen. In plaats van ‘werk, werk, en nogmaals werk’ kunnen we nu nadenken over het soort wel­vaart dat we willen hebben. Zo kan bijvoorbeeld de milieubeweging nu gemakkelijker de bouw van een nieuwe luchthaven tegenhouden. In tijden van massawerkloos­heid zouden de duizenden extra banen waarschijnlijk zwaarder hebben gewogen dan argumenten over de kwaliteit en duurzaamheid van economische groei.

Missende argumenten

Een zwakte van Butollos boek is dat hij als socioloog vrij weinig gebruikmaakt van economische theorie, terwijl in economisch onderzoek best nog argumenten te vinden zijn die zijn redenering zouden ondersteunen. Een belangrijk voorbeeld is de cost disease-theorie van William Baumol. Die stelt dat veel activiteiten in de dienstensector zich moeilijk laten mechaniseren of automatiseren. Daardoor worden deze diensten relatief duur ten opzichte van producten of diensten uit technologisch dynamische sectoren.

Een kapper zal zich bijvoorbeeld niet eenvoudig laten vervangen door een artificieel intelligente machine. Extreme voorbeelden van cost disease vindt men in de kunst- en cultuursector. Zo is er sinds Beethovens tijd nauwelijks sprake geweest van productiviteitswinst bij de opvoering van zijn symfonieën. Daarom zijn concertkaartjes duur. Minder extreme voorbeelden vinden we in de horeca, de zorg en andere vormen van persoonlijke dienstverlening. Dit zijn sectoren met weinig productiviteitsgroei en (daardoor) veel arbeidsinzet. Hun diensten zijn daardoor relatief duur vergeleken met die uit technologisch dynamischere sectoren. Tegelijkertijd zijn er aanwijzingen dat juist deze laagproductieve Baumol-sectoren na 2000 sterk zijn gegroeid, mede door de groei van laagbetaalde flex-werkers.

Een andere observatie die Butollo’s betoog ondersteunt, is de afnemende bijdrage van de IT-sector aan de productiviteitsgroei. Cette et al. (2015) laten zien dat de uitzonderlijk sterke bijdrage van informatietechnologie aan de productiviteitsgroei in belangrijke OESO-landen na 2004 sterk is teruggelopen.

Vanuit economisch perspectief laat zich zo verklaren waarom arbeid schaars blijft. Gegeven een bepaalde groei van het bruto binnenlands product (bbp), bepaalt de groei van de arbeidsproductiviteit – het bbp per gewerkt uur –  hoeveel arbeidsuren er nodig zijn. Kort na de eeuwwisseling nam de groei van de arbeidsproductiviteit in veel OESO-landen af, mede als gevolg van deregulering op de arbeidsmarkt. In veel jaren bleef de productiviteitsgroei achter bij de economische groei. Hoewel de bbp-groei bepaald niet uitbundig was, groeide de vraag naar arbeid daardoor toch.

Effect AI nog niet duidelijk

De cruciale vraag is of deze zwakke productiviteitsgroei zal aanhouden, of dat AI alsnog voor een nieuwe productiviteitssprong zal zorgen – en daarmee alsnog een einde maakt aan de arbeidsschaarste die Butollo voorziet. Butollo neigt naar het eerste antwoord: ook AI zal de structurele arbeidsschaarste waarschijnlijk niet opheffen. Robert Inklaar plaatst daar recent in ESB een kanttekening bij: de economische literatuur is hierover minder eenduidig dan Butollo suggereert. Daarmee is een nieuwe productiviteitssprong allerminst uitgesloten, maar evenmin vanzelfsprekend.

Auteur

Categorieën

Plaats een reactie