Ga direct naar de content

AOW-uitkering hield gelijke tred met brutolonen

Geplaatst als type:
Geschreven door:
Gepubliceerd om: augustus 11 2026

De Beer (2026) stelde recent in ESB dat de projecties van het ­Centraal Planbureau de stijging van de AOW-uitgaven ­overschatten. De aannames in de projecties zijn echter in lijn met ­de ­historische ontwikkelingen.

De projecties van het Centraal Planbureau tonen een verwachte oploop van de AOW-uitgaven vanwege de vergrijzing (CPB, 2025). Deze oploop was een belangrijke reden voor de coalitie om de AOW-leeftijd volledig te koppelen aan de stijging van de levensverwachting, om het hoofd te bieden aan de verwachte vergrijzingskosten (Coalitieakkoord, 2026).

De Beer (2026) betoogt in ESB dat de verhoging van de AOW-leeftijd niet nodig is om de AOW-uitgaven te beteugelen. Hij stelt dat de CPB-projecties de AOW-­uitgaven overschatten omdat het CPB in zijn langetermijnprojecties de hoogte van de bruto AOW-uitkeringen laat meegroeien met de brutolonen. De Beer wijst erop dat de hoogte van de AOW-­uitkering niet gekoppeld is aan de brutolonen, maar aan het minimumloon – dat dan weer de ontwikkeling van de contractlonen volgt (dat wil zeggen de brutolonen zonder de incidentele looncomponent, bijvoorbeeld door promoties, extra periodieken, bonussen). Wanneer de AOW-uitkeringen in de projecties enkel aan de contractlonen gekoppeld zouden worden, zou de AOW-uitgavenquote volgens De Beer aanzienlijk lager uitkomen.

Historische data tonen echter dat ­AOW-uitkeringen veeleer de brutolonen dan de contractlonen volgden (figuur 1). De bruto AOW-uitkeringen zijn sinds 1998 duidelijk meer toegenomen dan wanneer ze de contractlonen hadden gevolgd. Tot 2023 nam de AOW wel minder toe dan de brutolonen, maar in 2023 en 2024 is er een inhaalslag geweest. Een projectie gebaseerd op het meegroeien met de contractlonen vanaf 1998, zou in 2026 acht procent lager zijn uitgekomen dan de eigenlijke AOW-uitkeringen.

Figuur 1: Ontwikkeling AOW-uitkering
Het lijndiagram toont de ontwikkeling van het brutoloon en contractloon vanaf 1998 tot een voorspelling in 2026, waarbij het brutoloon doorgaans hoger ligt dan het contractloon.

Beschrijving gegenereerd door AI
Noot: De figuur start in 1998 omdat de cijfers voor en na dat jaar niet goed te vergelijken zijn als gevolg van de Wet Pemba
Data: Staatscourant en CPB | ESB

De vaststelling dat de AOW-uitkeringen samen opgaan met de brutolonen is in lijn met eerder onderzoek van ­Dekker en Van Vuuren (2011) en van het CPB (2011) die de data analyseren voor de periode 1957–2010. In 2010 was de verhouding tussen AOW en brutolonen vergelijkbaar met die van het begin van de jaren zeventig van de vorige eeuw.

Verhoging minimumloon werkt door op AOW

Een belangrijke verklaring voor het feit dat de AOW-­uitkeringen harder stegen dan de contractlonen zijn de incidentele verhogingen van het minimumloon. Deze werken immers door op de hoogte van de AOW-uitkering, gegeven de koppeling van het minimumloon aan de AOW-uitkering, zonder dat zij de meeste contractlonen verhogen. Zo toont de figuur dat de verhogingen van het minimumloon in 2023 en 2024 doorwerkten op de AOW-uitkeringen.

Ook voorafgaand aan de recente minimumloon­verhogingen stegen de bruto AOW-uitkeringen al meer dan de contractlonen. Dat komt doordat de hoogte van de netto AOW-uitkering is gekoppeld aan het netto minimumloon. De bruto AOW wordt zo vastgesteld dat de gewenste netto AOW wordt bereikt. Omdat AOW’ers fiscaal anders behandeld worden dan werkenden, is bij een stijging van de contractlonen – en dus het nettominimumloon – een grotere bruto-stijging van de AOW-­uitkering nodig om hetzelfde netto-effect te bereiken.

Tot slot

De hoogte van de toekomstige AOW-uitkeringen is uiteraard onzeker. Toekomstige beleidsmakers kunnen bijvoorbeeld besluiten om het minimumloon al dan niet aan te passen. Ook kunnen ze de koppeling van de AOW aan het minimumloon veranderen, of fiscale wijzigingen doorvoeren die het nettominimumloon en/of de netto-AOW beïnvloeden. Gebaseerd op ervaringen uit het verleden lijkt een koppeling aan de brutolonen echter een logisch uitgangspunt voor projecties.

Literatuur

Beer, P. de (2026) Hogere pensioenleeftijd niet nodig voor beteugeling AOW-uitgaven. ESB, 111(4858), 292–295.

Coalitieakkoord (2026) Aan de slag: Bouwen aan een beter Nederland. Coalitie­akkoord 2026–2030. Te vinden op www.kabinetsformatie2025.nl.

CPB (2011) Centraal Economisch Plan 2011: De ontwikkeling van de AOW-uitgaven, p. 78.

CPB (2025) De Nederlandse overheidsschuld op lange termijn. CPB Publicatie, juli.

Dekker, P. en D. van Vuuren (2011) Een welvaartsvaste AOW: droom of werke­lijkheid? Artikel op www.mejudice.nl, 19 april.

Auteurs

  • Luuk Metselaar

    Wetenschappelijk medewerker bij het Centraal Planbureau (CPB)

  • Bert Smid

    Programmaleider begroting bij het CPB

Plaats een reactie