Nederland kampt met een vol elektriciteitsnet. Het uitbreiden van het net kost veel geld en tijd. Capaciteits- en tijdsafhankelijke nettarieven kunnen het netcongestieprobleem op korte termijn al verminderen, blijkt uit een veldexperiment.
In het kort
- Het laadgedrag van huishoudens met een elektrische auto kan de piekvraag op het elektriciteitsnet beïnvloeden.
- Gebruikers verlagen hun piekverbruik wanneer hun een statisch overschrijdingstarief opgelegd wordt.
- De piek wordt verschoven naar goedkopere tijdstippen wanneer het overschrijdingstarief tijdsafhankelijk is.
Nederland elektrificeert in hoog tempo om de CO₂-uitstoot te verminderen en de energiekosten te beheersen. Huishoudens en bedrijven stappen over op elektrische alternatieven, zoals warmtepompen en elektrische voertuigen. Tegelijkertijd groeit het aanbod van hernieuwbare energie snel door de investeringen in windparken en zonnepanelen. Zowel het hoger verbruik als de hogere productie zorgen voor een toenemende piekbelasting van het net. Het elektriciteitsnet raakt daardoor steeds vaker overbelast, vooral tijdens piekmomenten, met vertragingen bij nieuwe aansluitingen en aanzienlijke maatschappelijke kosten tot gevolg (FD, 2024).
Om de toenemende druk op het elektriciteitsnet op te vangen, is, volgens het Interdepartementaal Beleidsonderzoek Schakelen naar de toekomst (2025), in de periode 2024–2040 circa 200 miljard euro aan investeringen in de energie-infrastructuur vereist. Hierdoor kunnen de netkosten voor huishoudens oplopen van gemiddeld 400 euro per jaar in 2024 tot circa 1.100 euro in 2040 (prijsniveau 2024).
Een aanvullende strategie is het efficiënter benutten van de bestaande netcapaciteit. Dat vergt met name het verlagen van de piekbelasting omdat de benodigde netcapaciteit wordt bepaald door de pieken in het gezamenlijke nettoverbruik – dat is de energie die huishoudens op een bepaald moment uit het net afnemen minus wat er gelijktijdig wordt teruggeleverd, bijvoorbeeld via zonnepanelen. Piekbelasting ontstaat wanneer dit nettoverbruik tijdelijk sterk toeneemt, zoals ’s avonds bij het opladen van elektrische auto’s of overdag door grootschalige teruglevering van zonne-energie.
Door minder elektriciteit tijdens de piekmomenten te verbruiken, of juist door minder teruglevering van zelfopgewekte energie, kan de piekbelasting, en dus de benodigde netcapaciteit, worden verlaagd.
Nettarieven kunnen huishoudens stimuleren hun verbruik – en, indien van toepassing, hun teruglevering – aan te passen, zodat de piekbelasting afneemt. De huidige nettarieven bieden huishoudens echter nog weinig prikkels om hun verbruik tijdens piekuren te beperken want zij betalen een vast bedrag, ongeacht het moment van verbruik. Dit systeem is voorspelbaar, maar stimuleert geen aanpassing van het gedrag om doelmatiger met het krappe net om te gaan, waardoor tijdens daluren de dan wel beschikbare netcapaciteit vaak onvolledig wordt benut.
Sinds kort gelden er voor industriële gebruikers wel alternatieve nettarieven, die daarmee enigszins gerelateerd zijn aan de actuele schaarste in het hoogspanningsnet van TenneT. In landen als België en Denemarken zijn inmiddels alternatieve tarieven voor particuliere gebruikers ingevoerd en in Nederland worden vergelijkbare maatregelen verkend (Berenschot, 2024; ACER, 2025). Dankzij technologische ontwikkelingen, zoals slimme meters en automatische sturing, wordt het bovendien eenvoudiger voor gebruikers om hun verbruik af te stemmen op prijssignalen.
Om beter inzicht te krijgen in de effectiviteit van tarieven die huishoudens stimuleren hun piekverbruik – al dan niet op specifieke momenten – te verlagen, hebben wij een veldexperiment uitgevoerd onder 611 huishoudens met een elektrische auto. Het opladen van elektrische voertuigen veroorzaakt veel extra piekvraag omdat dat vaak op dezelfde momenten (einde van de dag) gebeurt, maar deze voertuigen bieden ook mogelijkheden om het net slimmer te benutten.
Opzet veldexperiment
Om de gedragseffecten van alternatieve tariefstructuren te onderzoeken, hebben we een gerandomiseerd veldexperiment uitgevoerd (Lunn, 2014), en recent onderzoek laat zien dat burgers hier overwegend positief tegenover staan (Dur et al., 2025).
In ons veldexperiment onderzoeken we een nettarief waarbij huishoudens een overschrijdingstarief betalen voor hun verbruik dat boven een capaciteitsgrens van 5 kilowatt (kW) uitkomt. Het tariefconcept is erop gericht om piekverbruik te beperken: er geldt een tarief van 0,25 euro per kilowattuur (kWh) voor het deel van het verbruik dat de grens van 5 kW overschrijdt. De grens is dus in kW, de maatstaf voor belasting of vermogen, terwijl de overschrijding in kWh is, dat het gebruik van vermogen in de tijd meet (dus energie). In de praktijk blijft het standaard huishoudelijk verbruik doorgaans onder de grens van 5 kW, maar dit kan worden overschreden wanneer meerdere grote apparaten gelijktijdig worden gebruikt, zoals het laden van een elektrische auto of het inschakelen van een warmtepomp. Zo heeft een laadpaal voor een elektrische auto vaak een vermogen van 11 kW.
We onderscheiden twee varianten van het overschrijdingstarief: een statische en een tijdsafhankelijke variant. Bij het statische tarief geldt de capaciteitsgrens altijd. Bij het tijdsafhankelijke tarief geldt de grenswaarde uitsluitend tijdens piekuren, van 17.00 tot 2.00 uur. Het statische tarief stimuleert huishoudens om apparaten met een hoog vermogen op een lager vermogen – en dus langzamer – te gebruiken. Bij het tijdsafhankelijke tarief worden huishoudens vooral aangemoedigd om hun vermogensverbruik tijdens de piekuren te beperken, want buiten deze uren kunnen zij onbeperkt en op volledig vermogen verbruiken.
Om de effecten van deze tarieven te meten, zijn de deelnemers aan het veldexperiment willekeurig verdeeld in drie groepen: een ‘controlegroep’ zonder overschrijdingstarief, een ‘statische groep’meteen tijdsonafhankelijk overschrijdingstarief, en een ‘tijdsafhankelijke groep’ met een tijdsafhankelijk overschrijdingstarief tussen 17:00 en 2:00 uur.
Gedurende het onderzoek ontvingen huishoudens in de interventiegroepen maandelijks een budget om eventuele overschrijdingskosten te dekken. De tariefkosten werden per maand verrekend met het toegekende bedrag. Eventueel resterend budget mochten zij houden als beloning. Wanneer de overschrijdingskosten in een maand hoger uitvielen dan het budget, ontvingen zij die maand geen vergoeding, maar hoefden zij ook niets bij te betalen.
Het budget verschilde per groep en was gebaseerd op de gemiddelde overschrijdingen per groep voorafgaand aan het experiment (tabel 1). Daarbij werd rekening gehouden met de verwachte kosten, zodat de maandelijkse vergoeding bij ongewijzigd gedrag tussen de groepen vergelijkbaar was. Deze methode is eerder toegepast in vergelijkbare studies (Gillan, 2017; Burkhardt et al., 2019).

De financiële prikkel om piekverbruik te beperken was in beide interventiegroepen wel gelijk: voor elk kilowattuur dat wordt vermeden boven de grenswaarde, besparen huishoudens 0,25 euro. Huishoudens in de controlegroep ontvingen een vaste maandelijkse vergoeding als compensatie voor hun deelname: voor hen gold geen overschrijdingstarief en ze konden daardoor hun verbruik zonder bijkomende kosten boven de grens van 5 kW laten uitkomen.
Om het effect van de overschrijdingstarieven te bepalen, hebben we het elektriciteitsverbruik gemeten in de periode voorafgaande aan het experiment (de zogenaamde pre-treatment-periode van 1 september tot en met 31 oktober 2023), tijdens het experiment (van 1 november 2023 tot en met 31 maart 2024), en na afloop van het experiment (de zogenaamde post-treatment-periode van 1 april tot en met 30 augustus 2024). Het meten van het elektriciteitsverbruik tijdens de pre-treatment-periode stelt ons in staat om te controleren of de drie groepen voorafgaande aan het experiment vergelijkbare energieverbruiksprofielen en achtergrondkenmerken hadden. Deze periode fungeert tevens als referentiepunt voor het beoordelen van het elektriciteitsverbruik tijdens de treatment-periode. Het meten van het verbruik tijdens de post-treatment-periode heeft als doel om te zien in welke mate eventuele gedragsveranderingen blijvend zijn of weer verdwijnen wanneer de nettarieven weer worden zoals ze waren.
Om het gemiddelde effect van de interventies vast te stellen, passen we een difference-in-differences-regressieanalyse toe.
Verandering in elektriciteitsverbruik
Voorafgaande aan de start van het experiment is het elektriciteitsgebruik in de drie groepen nagenoeg gelijk. Tijdens de nachtelijke uren is het verbruik, gemiddeld genomen, in de controlegroep iets lager dan in de andere twee groepen, maar overdag is er vrijwel geen verschil tussen de drie groepen.
Na introductie van de overschrijdingstarieven blijkt het verbruik echter te veranderen. Het blijkt dat de statische groep significant minder elektriciteit verbruikt boven de grens van 5 kW, namelijk gemiddeld 16,5 kWh minder (tabel 2). Dit is een vermindering van ongeveer acht procent ten opzichte van de gemiddelde waarde voorafgaand aan het experiment. In de tijdsafhankelijke groep is er geen statistisch significant ander elektriciteitsverbruik boven de 5kW-grens. Het beeld is vergelijkbaar als we kijken naar het hoogste piekverbruik per maand of per week. In de statische groep zijn pieken op zowel maand als weekbasis significant lager dan in de controlegroep, maar in de tijdsafhankelijke groep is dat niet zo.

Deze regressies laten zien of huishoudens hun piekverbruik (of verbruik boven de grens) verlagen, ongeacht het tijdstip waarop dat gebeurt. Het moment van piekverbruik per huishouden kan echter verschillen, terwijl de piek in de gezamenlijke netto-energievraag in de wijk bepaalt of de capaciteit van het elektriciteitsnetwerk toereikend is. Daarom analyseren we ook het elektriciteitsverbruik per uur, om te beoordelen in hoeverre er sprake is van een verschuiving in tijd.
Uit figuur 1 blijkt dat de groep met een tijdsafhankelijk tarief het gemiddelde verbruik tijdens de piekuren tussen 17.00 en 2.00 uur heeft verlaagd ten opzichte van de controlegroep. Na 2 uur ’s nachts, wanneer deze groep geen tarief betaalt voor overschrijdingen, is er een sterke toename in elektriciteitsverbruik. De tijdsafhankelijke tarieven lijken dus te zorgen voor een verschuiving van de piek. Door het relatief hoge laadvermogen van elektrische auto’s kan de piek in de nacht echter vergelijkbaar zijn met de piek in andere groepen.

Tabel 3 bevestigt deze verschuiving van elektriciteitsverbruik met een panelregressie. In de tijdsafhankelijke groep is tijdens piekuren gemiddeld per kwartier een 0,29 kWh lager elektriciteitsverbruik te zien, maar tijdens de daluren is het elektriciteitsverbruik gemiddeld per kwartier 0,18 kWh hoger. Per saldo wordt dus tijdens de vijftien daluren iets meer elektriciteit extra verbruikt (in totaal 2,7 kWh), dan er tijdens de negen piekuren wordt verminderd (in totaal 2,6 kWh).

Voor de statische groep zien we in dit geval – anders dan in tabel 2 – dat het tarief geen significant effect heeft op het gemiddelde verbruik per uur van de dag. De richting van de coëfficiënten wijst echter wel op een lichte spreiding. Omdat de figuur het gemiddelde effect toont voor alle huishoudens over alle dagen, kan het zijn dat de verlaging van het individuele piekverbruik – zoals we eerder zagen in tabel 2– hier niet zichtbaar is, omdat het effect wordt uitgemiddeld. Niet elk huishouden laadt de auto immers iedere dag.
Hoewel de onderzochte tarieven de hoogte en het tijdstip van het piekverbruik kunnen beïnvloeden, hadden de tarieven geen significant effect op het totale elektriciteitsverbruik van huishoudens.
Om te bepalen of een overschrijdingstarief ook een blijvend effect heeft op het verbruiksgedrag van huishoudens, kijken we tot slot ook naar het verbruik wanneer het tarief niet meer geldt. Tijdens het experiment is er een duidelijk effect zichtbaar bij de tijdsafhankelijke groep, maar dit effect verdwijnt snel na afloop van het experiment: huishoudens zijn weer meer elektriciteit gaan verbruiken tijdens de piekuren. Ook het effect op de piekvraag bij de statische groep verdwijnt na afloop van het experiment. Dat er geen blijvende gedragsverandering na afschaffing van het overschrijdingstarief is, kan betekenen dat de prijsprikkels van het overschrijdingstarief belangrijker waren dan de bewustwording van het eigen elektriciteits(piek)verbruik.
Conclusie en aanbevelingen
Nettarieven kunnen een effectief instrument zijn om huishoudens te stimuleren hun elektriciteitsverbruik beter af te stemmen op de beschikbare netcapaciteit. De deelnemende huishoudens met een elektrische auto en de mogelijkheid deze thuis op te laden reageren sterk op alternatieve nettarieven met een capaciteits- en/of tijdsafhankelijke component. Bij een statisch overschrijdingstarief verlagen huishoudens hun piekverbruik om onder de capaciteitsgrens te komen en extra kosten te vermijden, bijvoorbeeld door hun auto langzamer op te laden. Bij een tijdsafhankelijk overschrijdingstarief, dat alleen tijdens piekuren geldt, verschuiven huishoudens hun piekverbruik naar de daluren. Dat laatste leidt echter vooral tot een verschuiving in tijd, en niet tot een daadwerkelijke verlaging van het piekverbruik. De vraagrespons was wel groter bij het aanpassen van het tijdstip van verbruik dan bij het verminderen van het piekverbruik. De overschrijdingstarieven hadden geen significant effect op het totale elektriciteitsverbruik: in beide groepen bleef de hoeveelheid verbruik gelijk.
Bij het onderzoek moeten een aantal kanttekeningen worden geplaatst. Ten eerste hebben de resultaten specifiek betrekking op huiseigenaren met een elektrische auto en een thuislaadpunt. Daarnaast is de groep deelnemers samengesteld uit huishoudens die zichzelf hebben aangemeld naar aanleiding van een oproep. Dit wijst mogelijk op een selectie-effect, waarbij de deelnemers bovengemiddeld betrokken zijn bij hun energieverbruik, waardoor de waargenomen effecten in de bredere populatie waarschijnlijk minder sterk uitvallen.
Een andere kanttekening bij ons onderzoek is dat het in de winter plaatsvond, een periode waarin er relatief weinig zonne-energie beschikbaar is en de warmtevraag hoger ligt, waardoor de aanpassingsmogelijkheden door huishoudens beperkter kunnen zijn. Hierdoor zijn de resultaten in ons onderzoek mogelijk aan de conservatieve kant. In de zomer kunnen huishoudens immers meer zelfopgewekte stroom gebruiken, wat mogelijk invloed heeft op hun reactie op tariefprikkels.
Ten slotte hoefden deelnemers nooit geld bij te betalen als ze in een maand te veel overschrijdingskosten hadden. Die garantie is er niet als dit tarievenstelsel daadwerkelijk zou worden ingevoerd, waardoor huishoudens dan altijd de prikkel hebben om hun elektriciteitsverbruik aan te passen. Ook wat dat betreft kunnen onze resultaten te voorzichtig zijn.
Ondanks enkele kanttekeningen bieden de onderzoeksresultaten duidelijke aanknopingspunten voor beleid. Ze laten zien dat aanpassingen in nettarieven huishoudens daadwerkelijk kunnen aanzetten tot gedragsverandering. Elektrische auto’s bieden daarbij veel flexibiliteit in zowel het laadmoment als de laadsnelheid. Tariefprikkels voor efficiënter netgebruik kunnen zo netverzwaring beperken en toekomstige stijgingen van nettarieven voor alle gebruikers dempen. Van de onderzochte varianten lijkt een statisch overschrijdingstarief – voor verbruik boven een grenswaarde – effectiever in het verlagen van piekverbruik dan de tijdsafhankelijke variant, die vooral leidt tot verschuivingen in tijd en mogelijk nieuwe pieken veroorzaakt.
Om de effectiviteit van alternatieve tariefstructuren te vergroten, is het wenselijk om verbruiksaanpassingen zo eenvoudig mogelijk te maken, bijvoorbeeld door de ontwikkeling en promotie van geschikte apps. In ons onderzoek gebruikten de meeste huishoudens apps om hun laadinstellingen aan te passen.
Dit onderzoek is onderdeel van een gezamenlijk promotietraject van de RUG en de ACM, en dit experiment is financieel ondersteund door Netbeheer Nederland, de ACM en ElaadNL.

Literatuur
ACER (2025) Report on transmission and distribution tariff methodologies in Europe.
Berenschot (2024) Verkenning alternatief nettariefstelsel kleinverbruik. Berenschot Rapport, 21 oktober.
Burkhardt, J., K. Gillingham en P.K. Kopalle (2019) Experimental evidence on the effect of information and pricing on residential electricity consumption. NBER Working Paper, 25576.
Dur, R., A. Non, P. Prottung en B. Ricci (2025) Who’s afraid of policy experiments? The Economic Journal, 135(666), 538–555.
FD (2024) Vol stroomnet kost jaarlijks tot €40 mrd, ingrijpendere maatregelen nodig. Het Financieele Dagblad, 11 september.
Gillan, J. (2017) Dynamic pricing, attention, and automation: Evidence from a field experiment in electricity consumption. Energy Institute at Haas Working Paper, 284. Te vinden op www.haas.berkeley.edu.
Interdepartementaal Beleidsonderzoek (2025) Schakelen naar de toekomst: Over bekostiging elektriciteitsinfrastructuur. IBO Bekostiging Electriciteitsinfrastructuur Rapport, 7 maart. Te vinden op www.rijksoverheid.nl.
Lunn, P. (2014) Regulatory policy and behavioural economics. OESO Rapport, 10 januari. OECD Publishing, Parijs.
Auteurs
Categorieën